Datum: 24-01-2021 - 03:24

19
okt
'20
College beantwoordt vervolgvragen Bruisend Noordwijk over: handhaving in het buitengebied.
Geschreven door Bruisend Noordwijk

College beantwoordt vervolgvragen Bruisend Noordwijk over: handhaving in het buitengebied.

Fractie Bruisend Noordwijk: In de brief van het college gedateerd op 30 juli 2020 (zaaknummer 68317) beantwoordde u de door de fractie van Bruisend Noordwijk gestelde vragen inzake het beleid ter bescherming van bollengronden en de effectiviteit daarbij van de Greenport Ontwikkelingsmaatschappij (GOM). Nadere bestudering, maar ook signalen van met name inwoners van het buitengebied...

geven aanleiding voor de fractie van Bruisend Noordwijk om te komen tot enkele verdiepende vervolgvragen.

Uitgangspunten Pact van Teylingen, Offensief van Teylingen en ISG
In uw beantwoording verwijst u naar een in 2005 uitgevoerde berekening, waarbij de toen aanwezige oppervlakte van 2625 ha 1e klas bollengrond voor de hyacintenteelt als “kritische” massa behouden zou moeten blijven. De berekening was gebaseerd op een toenmalig areaal Hyacinten van 525 ha en een gewenste wisselteelt van 5 jaar.

Navraag bij het CBS leert evenwel, dat er thans geen sprake meer is van een areaal van 525 ha, maar van 450 ha (ultimo 2019) en de trend is sterk neerwaarts. Omdat het areaal gemeten is voor de gehele provincie Zuid-Holland, zal dat voor de Bollenstreek niet groter zijn geweest.

Signalen van inwoners
De GOM heeft een lijst geproduceerd van 266 in het buitengebied gelegen locaties, waar zij het haalbaar acht om op te treden tegen strijdig gebruik en welke gronden gebruikt zouden kunnen worden bij wijze van bollengrondcompensatie (jaarrapportage bollengrondbalans). Uiteindelijk heeft dit weer geleid tot een gefaseerde aanpak door de Omgevingsdienst West Holland (ODWH), die thans gaande is.

De kosten worden geraamd op rond de € 6.000 per perceel, dus in totaal rond de € 1,6 miljoen. De signalen, die de fractie tot nog toe bereiken zien vooral op de rechtlijnigheid bij handhaving. Uiteraard kunnen geen individuele gevallen worden genoemd vanwege nog lopende bestuursrechtelijke procedures. Wel komt het volgende beeld naar voren, dat van belang zou moeten zijn voor het te voeren beleid en de aansturing van de ODWH:

- De handhaving lijkt met name te staan in het teken van schaalvergroting en monocultuur en aldus weinig ruimte te bieden voor het streven naar een meer heterogeen landschap in de vorm van “weiden met blaarkoppen en paarden, kruidenvelden, wandelpaden en natuur” (ISG 2016). Maar ook voor startende ondernemers wordt het steeds moeilijker om nog te komen tot overname van een relatief klein bollenbedrijf.

- Bij de handhaving wordt onvoldoende acht geslagen op het bepaalde in artikel 3.1 onder a van het bestemmingsplan “Buitengebied 2015”, waar is bepaald, dat de gronden tevens bestemd zijn voor onder andere grootschalige openheid, kenmerkende landschapsstructuur, natuur- en landschapselementen in vorm van houtwallen en -singels, geriefhoutbosjes en overige groenvoorzieningen

- De bewijslastverdeling bij het al dan niet kunnen toepassen van overgangsrecht als bedoeld in artikel 41, lid 2 onder a van het vigerend bestemmingsplan drukt onevenredig zwaar op belanghebbenden. Ingevolge bestendige jurisprudentie van de RvS is het voldoende, wanneer belanghebbenden aannemelijk maken, dat bij inwerkingtreding van het bestemmingsplan reeds sprake was van strijdig gebruik.

Het overleggen van oude kasboeken, (lucht-)foto’s of verklaringen van derden zouden voldoende moeten zijn om in ieder geval te komen tot nader onderzoek van de zijde van de ODWH. In een aantal gevallen vindt dat bestendig strijdige gebruik al zijn grondslag in een ver verleden, waarbij de tijdlijn soms zelfs terug gaat tot de jaren 30 van de vorige eeuw.

De fractie van Bruisend Noordwijk heeft de volgende vragen gesteld en deze zijn onlangs door het college van B&W van de gemeente Noordwijk beantwoordt.

Vraag 1.
Onderschrijft het college de cijfers van het CBS inzake het areaal Hyacinten in Zuid-Holland?

Antwoord:
Ja.

Vraag 2.
Zo ja, onderschrijft het college dan ook de stelling, dat het berekende areaal 1e klas Bollengrond voor de hyacintenteelt thans niet meer actueel is en berekend kan worden op thans 450 X 5 (wisselteelt) = 2250 ha?

Antwoord:
Ja. In eerste instantie merken wij daarbij echter op dat de cijfers van het CBS betrekking hebben op Zuid-Holland en dus geen beeld geven van het aantal ha. bollengrond in de Duin- en Bollenstreek, dat in het jaar 2019 specifiek in gebruik is geweest voor de hyacintenteelt. In tweede instantie merken wij op dat de telling over het jaar 2019 een momentopname betreft. Vanuit bedrijfseconomische en markttechnische redenen maken agrarische bedrijven gebruik van wisselteelten waarbij ook sprake is van andere teelten dan die van de hyacint. Ook kunnen gronden een langere periode braak blijven liggen vanwege bodemtechnische redenen.

Aanvullend kan worden opgemerkt dat vanwege de wisselteelt inmiddels in de praktijk al sprake is van de teelt van hyacinten éénmaal per zes a zeven jaar in plaats van éénmaal per vijf jaar. Ook dat heeft invloed op het aantal ha bollengrond dat, volgens de CBS cijfers, de laatste jaren voor de hyacintenteelt in gebruik is geweest. Volgens de cijfers van het CBS fluctueert in de jaren vanaf 2005 tot heden dan ook het aantal ha. grond dat voor de bollengrond wordt gebruikt, en dus ook het aantal ha. daarvan voor de specifieke hyacintenteelt. 

De afspraken tot behoud van het areaal van 2.625ha 1e klas bollengrond, zijn vastgelegd in de Gebiedsuitwerking Haarlemmermeer-Bollensteek van medio 2006. Daarbij is als toetsingsjaar 2005 gehanteerd, waarin sprake was van 525 ha. voor hyacintenteelt in gebruik zijnde bollengrond in de Bollenstreek. In werkelijkheid was het daadwerkelijke aantal ha. bollengrond in de Bollenstreek hoger omdat er ook sprake was van andere teelt dan de hyacint. Teneinde een minimaal kerngebied van 1e klas bollengrond in de Bollenstreek te behouden is in de genoemde Gebiedsuitwerking de afspraak gemaakt dat, in het geval er eventueel bollengrond verdwijnt, deze bollengrond gecompenseerd moet gaan worden. 

Deze afspraken zijn vervolgens vastgelegd in de Intergemeentelijke Structuurvisie Greenport Duin- en Bollenstreek (ISG) in 2009 en herbevestigd bij de integrale herziening van de ISG eind 2016. Bij de laatste integrale herziening bleek overigens bij de betrokken stakeholders geen aanleiding te bestaan om het minimum areaal van 2.625 ha 1e klas bollengrond te heroverwegen. 

Wij merken daarbij aanvullend op dat het behoud van het planologisch bestemde areaal bollengrond in de Bollenstreek niet alleen vitaal is voor het behoud en de versterking van de bollensector maar ook van belang is vanuit landschappelijke overwegingen. Immers, doelstelling van de ISG tot 2030 is niet alleen de integrale herstructurering van het bollen- vaste planten en bloemencomplex maar ook het behoud en de verbetering van het kenmerkende cultuurhistorisch waardevolle (bollen)landschap van de Duin- en Bollenstreek.

Vraag 3.
Onderschrijft het college, dat er volgens de herberekening ruimte ontstaat voor andere functies, zoals (sociale) woningbouw, die berekend kan worden op 2625 – 2250 ha = 375 ha voor de gehele Bollenstreek?

Antwoord:
Nee. Zoals bij vraag 2 is aangegeven, is het ruimtelijk beleid voor de Duin- en Bollenstreek, zoals beschreven in de ISG, gericht op de herstructurering van de bollensector, in combinatie met het behoud en versterking van het landschap. Voor de herstructurering van de sector is het van essentieel belang dat een kernareaal 1e klas bollengrond beschikbaar blijft.

Dat er in enig jaar, vanwege fluctuaties in de teeltomvang van een specifiek bollensoort, sprake is van een verminderde teelt van één soort, in dit geval de hyacint, impliceert niet dat daarmee per definitie sprake kan zijn van de noodzaak tot vermindering van het afgesproken totaal aantal ha. bollengrond. Daarbij merken wij aanvullend op dat de noodzaak van aanvullende bouwlocaties voor (sociale) woningbouw overigens altijd moet plaatsvinden aan de hand van de Ladder voor duurzame verstedelijking.

Vraag 4.
Is de lijst met te handhaven locaties in het buitengebied openbaar of is deze ooit openbaar gemaakt?

Antwoord:
Zoals in onze brief van 25 mei 2020 aan uw raad over dit onderwerp reeds is aangegeven betreft het hier een privacygevoelig onderwerp (het naar personen toe kunnen herleiden van informatie). Aangezien bovendien nog niet alle eigenaren zijn geïnformeerd, is de inventarisatie niet openbaar en heeft om die reden slechts vertrouwelijk voor de gemeenteraad bij de griffie ter inzage gelegen.

Vraag 5.
Wordt bij de legalisatieonderzoeken op voorhand al rekening gehouden met overgangsbepalingen, waarbij strijdig gebruik in nieuwe planvorming kan voortduren?

Antwoord:
Dat is onder meer afhankelijk van de vraag of er voor dat bouwwerk of het gebruik in het verleden een omgevingsvergunning is verleend. Het gebruik van gronden en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan, en hiermee in strijd is mag worden voortgezet indien dat gebruik passend was binnen het oude bestemmingsplan. Was het gebruik onder het oude bestemmingsplan ook strijdig dan kan er geen gebruik worden gemaakt van de overgangsbepalingen. 

Vaste jurisprudentie is dat het op de weg van de belanghebbende ligt om in situaties, waarbij sprake kan zijn van het overgangsrecht, met objectieve gegevens te komen op basis waarvan de conclusie kan worden getrokken dat er inderdaad sprake is van overgangsrecht. Uiteraard zal de gemeente hierbij zoveel mogelijk faciliteren bijvoorbeeld door het eventueel raadplegen van luchtfoto’s.

Vraag 6.
In hoeverre wordt bij de handhaving rekening met het bevorderen van een meer heterogeen landschap?

Antwoord:
Hierbij wordt verwezen naar het Landschapsperspectief dat is opgenomen in de ISG (pagina 40). Het lopende handhavingstraject van strijdige situaties in het landelijk gebied is in eerste instantie gericht op het strijdige gebruik van voor bollenteelt bestemde gronden. Het landschapsperspectief heeft ook betrekking op graslanden en de bestemming natuur. In de ISG is onder Landschapsperspectief het volgende opgenomen ten aanzien van een meer heterogeen landschap :”

Heterogene landschappen waarin naast bollenvelden plaats is voor weiden met blaarkoppen en paarden, kruidenvelden, wandelpaden en natuur vormen een waardevol onderdeel van de Duin- en Bollenstreek. Dit mag echter niet ten koste gaan van het areaal eerste klas bollengrond. Verdere differentiatie van het landschap is mogelijk mits voldaan wordt aan de bollengrondcompensatie en het passend is in het Landschapsperspectief.

Tegen strijdig gebruik moet krachtig worden opgetreden“. Dat betekent dat, indien sprake is van strijdig gebruik van voor bollenteelt bestemde grond en het betreft 1e klas bollengrond, beoordeeld wordt of de bedoelde gronden objectief gezien niet meer te gebruiken zijn voor de functie van de bollenteelt. Indien dat het geval is en het gebruik past binnen de gedachte van het bevorderen van een meer heterogeen landschap en passend is in het Landschapsperspectief, dan kan daaraan medewerking worden verleend mits bollengrondcompensatie plaatsvindt. Hetzelfde geldt indien er sprake is van 2e klas bollengronden

Vraag 7.
Wordt daarbij meer specifiek een positieve uitzondering gemaakt voor weiden met blaarkoppen en paarden, kruidenvelden en natuur? 

Antwoord:
Ja, zoals bij de beantwoording van vraag 6 is aangegeven, is de mogelijkheid om bij het gebruik van de agrarische gronden binnen het Greenportgebied rekening te houden met een meer heterogeen landschap, specifiek aangegeven in de ISG. Deze verruiming is overigens aan de ISG toegevoegd bij de integrale herziening van de ISG eind 2016.

Hoogachtend,
Burgemeester en wethouders van Noordwijk